Uitdagingen van het priesterschap

Mgr. dr. J.W.M. Hendriks
Mgr. dr. J.W.M. Hendriks

Het priester­schap is een uit­daging. Durf je die aan? Als de Heer je ertoe roept, dat wil zeggen: als Hij je hart in de rich­ting van het priester­schap beweegt, zou ik die vraag zeker met “ja” beantwoor­den. “Ik zal met U zijn”, heeft Hij beloofd. Hoe kun je priester zijn in deze tijd?

“Gij zijt priester voor eeuwig”

Het priester­schap is iets voor altijd,
voor het hele leven en daarna in eeuwig­heid.
Dat is al een eerste uit­daging in onze maat­schap­pij:
Vijf­tig jaar gele­den kwam je nog weleens mensen tegen
die hun hele leven niet van het dorp af waren geweest
maar heel gelukkig waren.
Mensen zijn nu heel gewend geraakt aan veel afwisseling.
En ze hebben vaak moeite om zich te bin­den.
Iemand die veer­tig jaar bij de zaak is,
iemand die vijf­tig jaar getrouwd is:
ze wor­den zeldzamer.
Relaties en banen wor­den vluch­tiger.
Een baan mag je na­tuur­lijk rus­tig ver­an­de­ren.
Maar de roe­ping van een christen is het
om dat in de relatie niet te doen
maar voor altijd trouw te zijn
zoals God trouw is aan Zijn verbond met ons.
Het priester­schap staat ook in die bruidegom-bruid-relatie.
Een priester - die andere Christus - gaat een verbond aan
met zijn bruid de Kerk
in trouw.
Die trouw wordt op de proef gesteld
en daarom is het be­lang­rijk dat de priesters
en de priester­stu­denten
kunnen rekenen op het gebed en de steun van de gelo­vi­gen.

Een andere Christus: “dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed”

Wie is de Priester?
De priester is een andere Christus.
Daarom is het priester­schap het mooiste dat ik kan bedenken.
Wat kan er mooier zijn dan zozeer een andere Christus te zijn
dat je handelt en bent als Jezus zelf,
die je sacra­menteel te­gen­woor­dig stelt.
Dat doet de priester die zegt:
"Dit is mijn Lichaam... dit is mijn Bloed",
zozeer is hij één met Christus
dat hij dit kan zeggen
en het brood en de wijn wor­den het lichaam en bloed
van degene die de priester te­gen­woor­dig stelt: Jezus.
Na­tuur­lijk is het uit­ein­delijk de Heer
die bewerkt dat Brood en Wijn ver­an­de­ren,
door de kracht van de heilige Geest
maar het is de priester die het doet.
Zonder priester geen Eucha­ris­tie.
En zo is het bij alle sacra­menten:
na­tuur­lijk is het de Heer die een kind verlost
en het bestemt voor het eeuwig geluk,
wanneer het gedoopt wordt
maar het is de priester of de diaken die het sacra­ment geeft;
en na­tuur­lijk kan alleen God de zon­den ver­ge­ven,
maar het is de priester die het doet
en ook nog wel zozeer
dat hij zal zeggen: “Ik ontsla U van uw zon­den”
en hijzelf moet beoor­de­len,
oor­de­len zoals God over deze zon­den
en hij is het ook die genezende woor­den moet spreken.
En na­tuur­lijk is het de Heer die Zijn Geest geeft,
maar de priester of de Bis­schop deelt Hem mede
door het sacra­ment van het vormsel;
en het is de Heer die Zijn leer­lin­gen roept en zendt
en door hen Zijn verlos­sings­werk voortzet,
maar de Bis­schop wijdt de nieuwe priesters.
Zonder priesters geen sacra­menten
- behalve het doopsel in geval van nood -,
zonder de priesters wordt het genezende, ver­ge­vende, sterkende
verlos­sings­werk
van Christus niet voort­ge­zet.

Met alle liefde van zijn hart...

Het is dus een ongelooflijke god­de­lijke groot­heid
waarin de priester mag delen.
Als hij zich dat altijd zou beseffen,
zou hij vol­ko­men verlamd en perplex raken,
niet in staat iets te doen,
uit huiver voor de grote geheimen
die hem zijn toe­ver­trouwd,
overrompeld door Gods liefde
en vol ver­won­dering en verba­zing
dat zulke grote dingen
aan een mens kunnen wor­den toe­ver­trouwd.
Na­tuur­lijk zou­den wij priesters dit niet kunnen uit­hou­den
als we ons dit ten­volle bewust zou­den wor­den.
Maar het tegen­deel is waar;
we leven vaak zo
dat we de grote gaven van God
"for granted" nemen,
alsof het allemaal gewoon en normaal is.
Ja, er is zelfs een gevaar
dat een priester zo gewend raakt
om dage­lijks met de grootste, mooiste en hoogste dingen om te gaan,
dat hij het besef verliest van de groot­heid en verheven­heid ervan.
Mensen zijn diep geschokt
als een priester, nota bene een priester!
echt de fout in gaat.
En die priester heeft de ernst ervan soms niet eens beseft.
Dat is een van de grootste gevaren voor een priester,
maar eigen­lijk is het een gevaar voor ons allemaal
dat we doen alsof het gewoon is,
bijna een sleur of een gewoonte.
Dat is een gewetensvraag voor een priester en ons allen:
als we te communie gaan,
naderen we dan met volle over­tui­ging
en met alle liefde van ons hart?
Dat moet ons streven zijn,
zoveel het in ons vermogen ligt.
En dat is het wat onze maat­schap­pij, onze tijd
aller­eerst nodig heeft;
overtuigde priesters
die zich bewust zijn van de hei­lig­heid
van hetgeen waar ze mee bezig zijn.
Een priester moet aller­eerst dit bewust­zijn hebben,
een bewust­zijn van de hei­lig­heid van zijn roe­ping
en daar­mee onlosmake­lijk verbon­den
een hart dat vol liefde uitgaat naar de mensen
en verlangt hen te verlossen.
Hetzelfde verlangen als God zelf bezielde
toen Hij in deze wereld kwam.

Priester naar het beeld van de Goede Herder...

Priester naar het beeld van de Goede Herder

Hoe moet een priester zijn in onze tijd?
Wezen­lijk niet anders dan Onze Lieve Heer was
toen Hij op aarde kwam;
misschien zelfs dat een priester in onze tijd
weer meer op Hem moet lijken
in zijn wijze van optre­den
dan veer­tig, vijf­tig jaar gele­den
toen de Kerk nog zo gesettled leek
en alles in vaste struc­tu­ren zijn gangetje leek te gaan.
De priester kon bijna als een ambte­naar
zijn dagen vullen met de tal­loze goede werken
die hij nu eenmaal moest doen.
De priester-nu moet zijn als de Heer
die de verloren schapen op kwam zoeken.
Jezus ging waar de mensen waren,
Hij sprak met hen,
vergaf hun zon­den,
genas hun zieken,
trok zich ook regel­ma­tig terug in gebed,
een lange stille nacht of dag,
Hij verkondigde het Ko­nink­rijk
en vormde mede­wer­kers.

 

De priester moet gaan zoeken...

De priester moet juist in onze tijd
ini­tia­tie­ven nemen
om Christus bij de mensen te brengen
en de mensen bij Christus.
Hij moet vooral bedenken:
hoe kan ik mensen bereiken
met de blijde bood­schap van het evan­ge­lie?
Hoe kan ik aan hen Christus ver­kon­di­gen?
Hoe kan ik het verlangen naar de saca­menten in hen wekken?
Ik sprak eens een priester
die over de pa­ro­chie zei waar hij was aan­ge­steld
dat er niet veel te doen was.
Fout! Helemaal fout!
Die priester had het mis.
Hij zag niet wat er te doen was,
het kan niet anders zijn
en je zou hem toe willen roepen:
sla je ogen op,
de vel­den staan wit van de oogst.
Je bent er, maar je ziet het niet.

Het voor­beeld van de Heer en van de apostelen blijft door­slag­ge­vend

Wat deed Jezus, wat deden de apostelen?
Die vraag blijft be­lang­rijk, ja cruciaal.
De leer­lin­gen trokken rond,
zij zochten en von­den een uitgangs­punt,
een middel om met mensen in contact te komen,
een plaats waar zij zoekende mensen zou­den treffen;
vaak was dit de synagoge.
En Paulus oefende het beroep van tentenmaker uit;
ook ging hij naar de Areopaag in Athene
om te spreken over een onbekende God,
aan­slui­tend bij de bele­vings­we­reld van de mensen
die hij daar aantrof;
of hij reisde met een schip mee
waar hij de beman­ning Christus verkondigde, enzovoorts;
hij ging waar mensen waren.

Voor een priester nú
is het dus zeer be­lang­rijk
om in contact met mensen te komen,
buiten het kleine kringetje van de pa­ro­chie.
De éne priester doet dit zus, de ander zo.
Ik weet van een pastoor
die vaak in of bij de super­markt gaat zitten.
Daar spreekt hij allerlei mensen,
die daar hun bood­schappen komen doen.
Een ander pastoor voetbalt
en praat tussendoor met allerlei mensen
en dat heeft een uitstraling
naar het hele dorp.
Een derde weet veel van com­puters,
heeft jon­ge­ren betrokken bij een net­werk
en is zelf heel actief op Hyves en Facebook;
nog een ander heeft veel feeling voor bejaar­den en zieken
en bezoekt veel mensen;
ook dat heeft een grote uitstraling.
Toen ik pas pastoor was en de ouderen bezocht,
omdat die door de dag bereik­baar zijn,
merkte ik dat dit door heel het dorp werd rond­ge­spro­ken;
de kinderen op school zei­den:
"U heeft mijn oma bezocht".
Weer een ander is goed in het or­ga­ni­se­ren
van evene­menten waar mensen op af komen,
heel breed en gezellig,
maar intussen komen ze ook
in aanra­king met het geloof
en zo probeert hij hen verder te lei­den.
Het maakt niet uit, hoe en wat,
iedere priester moet iets kiezen dat bij hem past,
als hij er maar op uitgaat
en mensen weet te bereiken.

Na­tuur­lijk kan en mag die priester
niet de op­per­vlak­kige, populaire jongen gaan uit­han­gen,
dan verliest hij zichzelf.
Hij hoeft niet altijd over geloof te spreken,
maar in zijn manier van spreken
moet je kunnen aanvoelen
dat hij een man van gebed, een man van God is.
Je kunt als priester te stijf, te afstan­de­lijk en ge­re­ser­veerd zijn,
dan bereik je de mensen niet;
je kunt ook te los zijn en te weinig man van God,
daardoor geef je de mensen niet echt iets mee.

Een priester moet aller­eerst een man van God zijn,
zijn taak op zo'n manier vervullen
dat hij helemaal priester is in hart en nieren.
Alle onder­zoeken wijzen het uit:
een priester die niet bidt gaat verloren.
Zonder gebed kan een priester geen bevredi­ging vin­den
in zijn priester-zijn;
hoogstens zal hij een soort sociale werker kunnen zijn,
maar hij is op weg op zijn priester­schap te verliezen.

In­spi­re­rende priesters (1)

Wie zijn priesters die hebben geïnspireerd
of wie zijn de priesters waarvan we merken
dat ze anderen als priester hebben geïnspireerd?

Een oude pastoor werd jaren gele­den
benoemd in een klein dorpje
met ongeveer vijf­hon­derd katho­lie­ken.
Hij werd daar vermoe­de­lijk benoemd
omdat de Bis­schop hem niet zo zag zitten:
te weinig inschikke­lijk en nogal streng in de leer.
En inder­daad: hij was niet de ge­mak­ke­lijkste,
maar hij was een echte priester:
hij was er altijd; stond altijd klaar,
kwam bij de mensen
en hij was een priester met een diepe over­tui­ging.
Hij was iemand die opkwam voor de hei­lig­heid
van Christus, de Kerk, Gods gebo­den en het priester­schap.
Toen hij daar pastoor was
zijn twee jongens in de piepkleine pa­ro­chie
de weg van het priester­schap opgegaan,
nog wel in de tijd dat zo goed als niemand die weg opging
(het was in het begin van de zeven­tiger jaren);
nooit eerder was zoiets in dit dorp gebeurd
en het is daar ook niet meer voor­ge­ko­men
tot op de dag van vandaag.
Die man was een in­spi­re­rende priester,
ook al was het niet iemand
met wie je gezellig een borrel gaat drinken.

In­spi­re­rende priesters (2)

Als kind en mis­die­naar
was ik zeer geïnspireerd door een oude priester,
zo oud, dat hij verlof had om iedere dag
de votiefmis van Maria te lezen.
Hij deed de Mis heel eerbiedig,
was zeer overtuigd
en ook al verander­den om hem heen de tij­den
en wilde mede­broeders niet bij hem naar de Mis,
hij bleef trouw, hij bleef zichzelf.
Ik kan me nog goed her­in­ne­ren
hoeveel zorgen hij zich maakte
toen in de zes­tiger jaren
de kate­chis­mus op school werd afgeschaft.
Hij vond het volstrekt onverant­woor­de­lijk.

We had­den ook een heel vlotte kape­laan,
die met ons, verkenners, mee op kamp ging
en helemaal niet stijf was,
maar hij miste de pries­ter­lijke uitstraling.
Hij was het niet met hart en ziel,
deed de hele week op kamp geen Mis
en is later ook uitgetre­den.

Pastoor mgr. A. Vree­burg,
de vroegere pastoor van de St. Lodewijks­paro­chie in Leiden,
die pas overle­den is
was ook zo'n priester uit één stuk:
toen ik op het klein­semi­narie kwam,
was net overal de biecht "afgeschaft";
maar hij kwam bij alle jongens langs
om met hen te praten,
hen op hun gemak te stellen
en ze te sti­mu­leren een biecht­va­der te kiezen.

H. Pastoor van Ars

Pastoor van Ars

Alle grote heilige priesters zijn hierin een voor­beeld;
dit jaar gedenken we bij­voor­beeld
de 150e sterf­dag van Jean Marie Baptiste Vianney,
de pastoor van Ars,
die gecon­fron­teerd werd met een plat­te­lands­paro­chie,
waar het kerk­be­zoek bijna was verdwenen
en de mensen op zon­dag werkten
alsof het een doordeweekse dag was.
Hij begon maar gewoon
en zijn zuiver­heid van hart, zijn onschuld, zijn gebed en vasten,
zijn stevige woor­den en bovenal na­tuur­lijk Gods genade
bewerkten daar een vol­ko­men ommekeer.
Die pastoor van Ars zei over de priester het volgende:
"O, wat is een priester fan­tas­tisch!
De priester zal het fan­tas­tische van zijn functie niet kunnen bevatten
voordat hij in de hemel is.
Als hij het hier op aarde kon bevatten,
zou hij sterven, niet van angst, maar van liefde.
Je zou niets aan de andere welda­den van God hebben
zonder de priester.
Wat zou een huis vol goud voor nut hebben,
als je niemand had om de deur open te maken;
hij is de rent­mees­ter van de goede God,
de verdeler van zijn rijkdom. (...)
Na God is de priester alles.
Laat een pa­ro­chie twin­tig jaar zonder priester zittten,
ze zullen dieren aanbid­den".

De mensen moeten kunnen zeggen:
"Dat is een echte priester".
Iedere priester moet ernaar streven
om zo te zijn: een echte priester
en de mensen op te zoeken, naar de mensen te gaan.

Het lij­den van de priester

Na­tuur­lijk, het is niet altijd ge­mak­ke­lijk.
Daarom heeft het priester­schap waarde.
Dingen die ge­mak­ke­lijk zijn,
hebben uit­ein­delijk niet veel waarde.
Er zijn dingen die ge­mak­ke­lijk zijn,
maar waardoor je ware rijkdom en schoon­heid mist.
Dingen die niet ge­mak­ke­lijk zijn
maken ons leven meestal dieper.
Lijden bij­voor­beeld maakt
dat je leven zich op een ander niveau gaat afspelen,
dat kan niet anders,
je kunt je ogen dan niet sluiten
en vrolijk verder leven of er niets aan de hand is.

Lijden leert ons bij­voor­beeld geduld.
Dat is een kwaal van onze tijd:
wij willen alles en wel meteen.
We kunnen niet wachten.
Als we iets willen:
een click met de muis­knop en we hebben het, onder handbereik.
Maar als je mensen naar Jezus wilt brengen
heb je geduld nodig,
dat kan niet anders gaan
-afgezien van zeer uitzon­der­lijke gena­den -
dan in een groei­pro­ces.

Gelukkig is het priester­schap niet ge­mak­ke­lijk,
dan zou een priester op­per­vlak­kig zijn.
De moei­lijk­he­den zijn een be­lang­rijk deel
van onze rijkdom,
hoe te­gen­strij­dig dat ook mag klinken.
Een priester moet in onze tijd
dus bereid zijn om lasten op zich te nemen
en lij­den te aan­vaar­den.
Juist een priester die een "andere Christus" is,
mag niet wegvluchten als het lij­den komt.
Ook daarom heeft hij weer
het gebed van velen nodig.

Mensen nabij zijn...

Maar in alles: ver­trouwen!
De priester moet een man van ver­trouwen zijn.
Als jezelf men­se­lijk gaat nadenken,
zie je allerlei beren op de weg.

Toen ik priester wilde wor­den
zei­den mensen me soms allerlei heel erge dingen
die me zou­den over­ko­men als ik die weg zou gaan:
er zou geen Kerk meer zijn in de toe­komst,
ik zou een­zaam zijn en erg alleen,
niemand werd meer priester,
alle priesters tra­den uit;
het zou allemaal heel zwaar wor­den.

Ik heb zelf toen ook weleens
de nei­ging tot vrees in me voelen opkomen:
stel dat het mis gaat,
dat ik het niet kan,
dat het te zwaar voor me is,
dat ik de mensen niet zou kunnen bereiken.
En ben ik wel waardig?

Maar de Heer leidt je
- Hij leidt ieder van ons -;
bij al onze eigen zwak­heid,
onze fouten en zon­den,
leidt Hij ons.
Het komt goed.
Vertrouwen is heel be­lang­rijk.

Allerlei dingen die ik voorzag
of die mensen me zei­den,
zijn nooit gebeurd:
de Kerk is er nog,
ik verlang er juist ook weleens naar
even op mezelf te zijn
en er wor­den gelukkig nog steeds mensen priester,
en ook allerlei andere mooie dingen,
die ik nooit had kunnen bedenken,
zijn wel gebeurd,
Deo gratias!
Een priester krijgt er dus heel veel voor terug.
Een van de priesters die vorig jaar gewijd zijn, zei het me zo:
"Het is best hard werken als je het goed wilt doen,
maar je krijgt er zoveel dank­baar­heid voor terug".

Iedere priester die naast mensen staat, kan dat beamen.
Het is heel mooi mensen nabij te mogen zijn
in hun vreugde en verdriet
en daarin Christus te­gen­woor­dig te mogen stellen.

De priester beseft vaak zelf niet
hoe­zeer zijn aanwe­zig­heid
Gods aanwe­zig­heid is
in het leven van mensen.
Af en toe hoor je dat als priester
weleens terug...

Eenzaam maar niet alleen...

De priester is na­tuur­lijk ook alleen, in zekere zin:
hij is ongehuwd
als teken van het andere leven
waarin niet gehuwd wordt en niet ten huwe­lijk gegeven;
hij is onhuw­baar omwille van het rijk der hemelen;
ongehuwd ook als teken
dat hij die andere Christus is
die Zijn bruid - de Kerk - gehuwd heeft.
En tenslotte is zijn ongehuwd-zijn een teken
van de totale zelfgave van zijn leven:
hij wil alles geven, zich helemaal geven,
het is geen baan van negen tot vijf;
en een priester moet vrij zijn om weer verder te trekken,
de Heer achterna.
Doordat de priester ongehuwd is
staat hij ook dichtbij mensen die dat ook zijn
en bij alle mensen die alleen zijn,
alle mensen die zich er een beetje buiten voelen staan.

Maar het is geen vrijgezellen-bestaan
wat een priester leidt.
Het is geen ongehuwd-zijn om lekker zelf je gang te kunnen gaan,
tenminste dat is niet de gedachte.
Het celi­baat is juist een uiting van het verlangen van de priester
om er voor anderen te zijn,
om zich totaal te geven.
Daarom moet een priester wel een man van ge­meen­schap zijn;
daar hoort ook bij
dat hij vriend­schappen on­der­houdt,
met andere mensen in relatie is,
zich niet afzondert, integen­deel.

Een priester, zeker een dio­ce­sane priester,
moet mid­den in de wereld zijn,
het nodige van die wereld weten
en toch ook weer niet van die wereld zijn.

Ook dat wordt tot uiting gebracht door het celi­baat.

Het is voor iedere priester be­lang­rijk
van zichzelf te weten dat hij inge­bed is
in een net­werk van sociale relaties,
die hem ook hope­lijk corrigeren en aanspreken,
en een beroep op hem doen.
Een priester moet las­tig gevallen wor­den,
net als iedere vader van een gezin!

Mensen helpen zichzelf te wor­den

Een be­lang­rijke taak van de priester
is het om andere mensen te helpen
zichzelf te wor­den.
"Zichzelf" dat betekent
dat mensen meer mogen gaan lijken
op het beeld van God dat zij in zich dragen.
Dat beeld is in iedere mens uniek;
iedere mens heeft van God
eigen gaven en talenten mee­ge­kre­gen.
Het is niet de bedoeling
dat mensen een kloon van iemand anders wor­den,
dat zij bij­voor­beeld geboetseerd wor­den
naar het beeld en de gelijkenis
van degene die hen begeleidt;
be­lang­rijk is
dat mensen hun eigen gaven mogen ontdekken.

Ook iedere priester moet zichzelf zijn en wor­den.
Zo zal iedere priester weer anders zijn,
ieders roe­ping heeft een eigen kleur;
Elke priester is bedoeld om helemaal priester te zijn,
honderd procent, met hart en ziel,
maar het priester­schap van iedere priester
is ook weer uniek.
Net als iedere mens
mag een priester zijn eigen gaven en talenten ontdekken
en herkennen wat God in hem heeft gelegd.
En daar moet hij gebruik van maken.
De bis­schop heeft dit vaker al bij priester­wij­dingen
tot de wij­de­lin­gen gezegd:
Doe wat past bij je eigen talenten en cha­risma's.

Dat geldt eigen­lijk voor iedere mens.
Heel veel mensen zijn in onze tijd beschadigd.
Mensen hebben soms veel mee­ge­maakt
aan ellende, aan trauma's, af­schu­we­lijke dingen vaak.
Een priester is geen psycholoog -
al krijgt hij door de gesprekken veel levens­er­va­ring -
maar wel mag hij door de ver­ge­ving van Godswege
die hij door mag geven in het sacra­ment van de biecht,
een niew begin moge­lijk maken.
Een priester moet en mag
veel luis­te­ren
en hij mag mensen keer op keer dui­de­lijk maken
dat zij niet hun problemen zijn,
maar dat zij beeld van God zijn
met unieke gaven en talenten.

Wees niet bang

"Wees niet bang",
dat waren zo ongeveer de eerste woor­den
die paus Johannes Paulus II uitsprak
toen hij in 1978 tot paus gekozen werd.

Een priester moet niet bang zijn:
wat zal dit mij brengen,
hoe zal mijn leven verlopen,
zal dit wel gaan,
kan ik dit aan?
Dit zijn men­se­lijke vragen.
Het ant­woord luidt:
Ga met God, ga met ver­trouwen,
de Heer zal bij je zijn,
want dat is wat Hijzelf in het evan­ge­lie belooft:
"Ik zal met U zijn...".

Wees niet bang...
hoe vaak wor­den deze woor­den wel niet herhaald in het evan­ge­lie?
Het is heel men­se­lijk om bang te zijn,
maar het is ook te men­se­lijk.
Voor een priester en voor ons allen geldt:
bid, werk en ver­trouw!
(Waar­mee na­tuur­lijk niet gezegd wil zijn
dat er niet goed op gelet moet wor­den
dat een (jonge) priester
niet boven zijn krachten belast wordt
en dat hij het zelf ook tijdig aan moet geven
als dit het geval zou zijn).

Zaaien in geloof

De zaaier van Van Gogh

Dat ver­trouwen is heel be­lang­rijk;
een priester moet geves­tigd zijn in zijn relatie met de Heer.
Anders lukt het niet.
De meeste priesters zien dat de mensen voor hen in de kerk
ouder wor­den en kleiner in aantal.
Dat is niet ge­mak­ke­lijk:
je doet je best en het wordt allemaal minder.
De priester moet daarom zaaien in geloof,
vaak zonder dat hij weet en ziet dat het iets oplevert.
Hij moet ook een levend besef hebben
dat het gaat om iedere mens afzon­der­lijk;
het gaat niet om aantallen:
‘Ik had er zon­dag zoveel',
‘En hoe was het kerk­be­zoek bij jou?',
maar het gaat om iedere ziel afzon­der­lijk,
om de weg met God die een concrete mens gaat.

Geloof dat God vrucht­baar­heid zal schenken,
dat Hij er enkelen zal roepen en met Zijn genade zo zal be­ge­lei­den
dat zij met Hem zullen leven
en op hun beurt hun leven aan Christus zullen geven.

Ook is het goed voor een priester - en voor ieder van ons -
om het oog gericht te hou­den op de toe­komst.
Hoe gaat het verder in de toe­komst?
Hoe kan de Kerk haar zen­ding blijven vervullen?
Dan is het niet goed als we ons met hand en tand
verzetten tegen ver­an­de­ringen
- waarvan we eigen­lijk bij enig nadenken
wel weten dat die nu eenmaal moeten plaats­vin­den -.

De slui­ting van een kerk­ge­bouw is bij­voor­beeld
heel emo­tio­neel en moei­lijk.
Dat moet soms gebeuren
omdat er weinig mensen en fi­nan­ciële mid­de­len
zijn over­ge­ble­ven;
dan mag je hopen dat de mensen het de priester
- die ook niet gewijd is om kerken te sluiten -
niet al te moei­lijk gaan maken;
het is gewoon jammer als zo'n priester al zijn tijd en energie kwijt is
aan de emoties rond zo'n gebeuren.

Vorming van leken

Een ander be­lang­rijk punt voor een priester
en voor ieder van ons is:
mensen te betrekken bij het werk van de evangeli­sa­tie.
Ook de apostel Paulus werd geholpen door leken
die met de mensen spraken en catechese gaven.
Leken kunnen vaak op plaatsen komen waar de priester niet kan komen.
Het zou goed zijn als zij zich steeds meer bewust wor­den
van hun christen-zijn
en van hun zen­ding om het evan­ge­lie door te geven
aan anderen,
op alle plaatsen waar zij leven en werken.
We hebben geen leken nodig
die allemaal iets bij het altaar komen doen
en voorin de kerk staan.
We hebben leken nodig
en de priester heeft leken nodig,
die het geloof door­ge­ven
in de gezinnen, op het werk, in school, in contacten met anderen.
Dit kunnen zij vaak niet doen door te prediken,
maar wel door er open over te zijn dat zij katho­liek zijn
en bij de kerk betrokken,
door dui­de­lijk voor hun geloof uit te komen.
Een kandidaat voor het per­ma­nente diaconaat zei me bij­voor­beeld:
"Sinds ze op mijn werken weten dat ik voor per­ma­nent diaken stu­deer,
word ik met allerlei vragen en on­der­wer­pen benaderd,
waar ze vroeger nooit over zou­den spreken".

Ook dit is een be­lang­rijk punt:
dat de priester zich ervoor inzet
dat gelo­vi­gen wor­den gevormd
en dat die weer
een voor­beeld en in­spi­ra­tie­bron
voor anderen kunnen wor­den.

Mgr. dr. J.W.M. Hendriks
Mgr. dr. J. Hendriks

Wat er ook gebeurt,
er blijft altijd werk voor een priester,
omdat mensen van nature God zoeken,
zo heeft God ons geschapen:
“Creasti nos ad Te” (“Gij hebt ons geschapen op U gericht”).
Mensen blijven altijd verlangen naar God,
dat zit in de mens:
“Onrus­tig is ons hart, totdat het rust vindt in U”,
schreef sint Au­gus­ti­nus al.

+ J. Hendriks, hulp­bis­schop